1804

Oorsprong van de groep

De geschiedenis in een notendop (1804 – heden)

organigramme

De wortels van de naamloze vennootschap Brederode, sinds lang gespecialiseerd in de investering van risicokapitaal op internationaal vlak, gaan diep en zijn nauw verbonden met toonaangevende momenten in de economische geschiedenis van België en zijn voormalige kolonie.

Haar huidige structuur is het resultaat van een lange reeks fusies en overnames van een brede waaier aan vennootschappen en dit zowel in ruimte als in tijd.

Hun hergroepering die tot de huidige structuur heeft geleid werd gespreid over een periode van meer dan 40 jaar en begon in 1970.

De zes belangrijkste vennootschappen die bij deze lange reeks fusies waren betrokken hebben gezamenlijke eigenschappen die elk een koerswijziging noodzakelijk maakten. Deze eigenschappen zijn bijvoorbeeld het einde van de levensduur hebben bereikt, een beursnotering, geen schulden hebben, resterende activa bezitten die eenvoudig te verkopen zijn, zich in een situatie zonder stabiele en gelukkige aandeelhouders bevinden. Hun activa dienen in eerste instantie voor een heroriëntering gericht op veelbelovende financiële investeringen met een hogere meerwaarde op lange termijn.

I. Auximines

De hoeksteen van het toekomstige Brederode werd gelegd in de verandering van de aandeelhoudersstructuur in 1970 van de Compagnie Auxiliaire des Mines, afgekort tot Auximines. Deze vennootschap werd in 1899 in Brussel opgericht, kreeg de naam L’Accumulateur Sec en nam na de Eerste Wereldoorlog een nieuwe naam aan. Vanaf het begin was deze vennootschap een joint-venture tussen de Britse groep The Sussmann Electric Miners’ Lamp Company, Limited met zetel in Londen en een groep Belgische ondernemers die nauwe banden met de steenkoolsector onderhield. De Engelsen beschikten over patenten, in het bijzonder voor hun meest recente uitvinding: een draagbare en herlaadbare droge elektrische batterij die performanter en in elk geval veiliger was dan de traditionele batterijen die een bijtende vloeistof bevatten.

Auximines zou haar producten geregeld verbeteren, werd beschermd door nieuwe patenten die door haar eigen onderzoeksafdeling op punt werden gesteld en werd al snel de belangrijkste actor op de Belgische markt voor de productie en levering van draagbare elektrische lampen voor mijnwerkers. Door de oprichting van een Frans filiaal in Douai in 1922 kon de vennootschap haar activiteiten uitbreiden naar de (voormalige) departementen Nord en Saar.

Na de Tweede Wereldoorlog groeide de omzet van Auximines fors en bereikte een hoogtepunt in 1958. Daarna kende het bedrijf een sterke terugval door de onverbiddelijke sluiting van mijnen die uitgeput raakten. Op het einde van jaren zestig heeft de vennootschap haar activiteiten volledig stopgezet.

In die omstandigheden was het beurskapitaal van Auximines uiteraard geslonken, wat een verandering van de aandeelhoudersstructuur via de beurs mogelijk maakte.

Daar de doelstellingen waren bereikt, besloot de nieuwe directie van Auximines om de bescheiden middelen uit de verkoop van de laatste onroerende activa aan te wenden voor de beursacquisitie van een tweede onderneming.

II. Belgo-Katanga

Deze tweede opportuniteit deed zich rond dezelfde periode voor in de vorm van een voormalige koloniale vennootschap waarvan het aandeelhouderschap zeer divers was en waarvan de omzet en de waardering zwaar te lijden hadden onder de calamiteiten die volgden op de onafhankelijkheid van de Democratische Republiek Congo in 1960: Belgo-Katanga.

Deze vennootschap werd opgericht in 1910, twee jaar na de overdracht door koning Leopold II van het immense gebied van Congo Vrijstaat, dat zijn privé-eigendom was, aan het Koninkrijk België.

Na de voltooiing van de spoorweg van Kaapstad naar Elisabethville (nu Lubumbashi), de net opgerichte hoofdstad van de mijnprovincie Katanga, besloten drie van de pioniers die met succes hadden gewerkt in de holding van generaal Albert Thys, zakenman en financier van de koning ten tijde van Congo Vrijstaat, om Belgo-Katanga op te richten. Zij kwamen uit drie verschillende landen : Frankrijk, België en Luxemburg. Zij hadden nauwelijks financiële middelen maar wel veel kennis op het terrein.

De verwachte komst van de spoorweg in de mijnprovincie Katanga had de hoop op een nieuw eldorado aangewakkerd waardoor de oprichters fondsen in heel België en Noord-Frankrijk konden inzamelen door hun aandelen aan een groot publiek via meerdere bankiers en wisselagenten aan te bieden.

De eerste doelstelling van Belgo-Katanga was drievoudig: de zoektocht naar en de exploitatie van mijnen, de oprichting van commerciële loketten « factoreries » genaamd en de vorming van een aandelenportefeuille met aandelen in diverse lokale bedrijven.

Het succes van de diverse prospectie-expedities in het kader van de door de vennootschap bedongen onderzoeksconcessies was eerder beperkt. Bovendien zorgde een wereldwijde economische crisis ervoor dat de vennootschap zijn activiteiten richtte op een gelijkaardige vennootschap, de Société Industrielle et Minière du Katanga (Simkat) waarvan zij in 1913 hoofaandeelhouder werd.

Simkat richtte vervolgens de Compagnie des Ciments du Katanga (Cimenkat) op, vervolgens de Société d’Entreprises de Travaux en Béton au Katanga (Trabeka).

In 1924 werden de ‘factoreries’ van Belgo-Katanga gesloten of van de hand gedaan daar deze niet rendabel genoeg waren en de vennootschap werd op die manier een soort van investment trust of holding in hoofdzaak beheerd door bankiers en wisselagenten en met minder eigen activiteiten. Zo participeerde zij niettemin in diverse ondernemingen in de streek rond Katanga maar later eveneens in Europa. Zij betaalde een zware prijs tijdens de depressie in de jaren  1929-1935 en bij de dramatische waardedaling van zogenaamde koloniale waarden tijdens de tien jaar die volgden op de onafhankelijkheid van de kolonie in 1960.

In 1973 kwam Belgo-Katanga volledig onder de controle te staan van Auximines en de met haar verbonden vennootschappen die ondertussen de aandelen van de twee institutionele investeerders hadden opgekocht.

Zo kreeg een tweede laag vorm van de constructie die men voor ogen had.

III. Cotoni

Een derde laag zag het licht in 1976, toen de tandem Auximines-Belgo-Katanga zich verbond met twee Luikse families en zo een doelstelling nastreefde die veel veel ruimer was dan de twee voorgaande: Cotoni, de afkorting van Compagnie Cotonnière et Industrielle. Na aankopen op de beurs en directe onderhandelingen met bepaalde historische institutionele aandeelhouders die ontevreden waren over het beheer, slaagde dit trio erin een aandelenpakket te verzamelen dat veel groter was dan de 20% van de Generale Maatschappij van België (Finoutremer) die haar had toegelaten een dominante positie in te nemen.

Cotoni was de (toen) recent gewijzigde naam van de Société Cotonnière Congolaise ofwel « Cotonco », een vennootschap die in 1920 op initiatief van het koloniale bewind was opgericht en de bijzondere steun genoot van koning Albert I.

De Belgische Staat was in feite de eerste pionier van de introductie van het witte goud in de kolonie. De Staat werd bij haar oprichting tevens de belangrijkste aandeelhouder van Cotonco, en dit bij wijze van vergoeding voor de inbreng in natura zoals de eerste dorsfabrieken die in de Verenigde Staten werden besteld. De privésector waarop in hogere mate een beroep werd gedaan werd in het bijzonder vertegenwoordigd door een reeks zakenbanken en industriëlen van de textielsector in Gent en Verviers.

In de loop de jaren bouwde Cotonco – volgens de richtlijnen en het lastenboek van de overheid – een grote private agro-industriële onderneming in Centraal Afrika uit die de grootste katoenproducent van Centraal-Afrika werd, niet enkel in Belgisch Congo maar ook in Portugees Angola en Frans West-Afrika (vandaag de Republiek Tsjaad). In de koloniale tijd kwamen de belangrijkste bestuurders vaak voort uit de publieke sector.

De aandelen van het Angolese filiaal Companhia Geral dos Algodoes de Angola (Cotonang) waren genoteerd op de beurs van Lissabon en die van de Compagnie Cotonnière Equatoriale Française (Cotonfran) op de beurs van Parijs.

Op het hoogtepunt in 1959 maakten ongeveer vijftig fabrieken vezels uit 190.000 ton katoenzaad, ongeveer 90% van de totale productie van het land, gekocht van ongeveer 600.000 inheemse en onafhankelijke telers aan wie de vennootschap een omkadering bood.

De onafhankelijkheid van de Belgische en Franse kolonies in 1960 en de revolutie in Angola in 1975 zorgden voor een fundamentele wijziging van de situatie. Na de nationalisering van de katoenindustrie heeft enkel de Republiek Tsjaad de voormalige, buitenlandse aandelen direct en correct vergoed. Echter, de verliezen die Cotonco in de andere landen leed waren immens.

Tijdens het decennium dat volgde op de Congolese onafhankelijkheid zette Cotonco, dat in Cotoni werd omgedoopt, aanzienlijke reconversieactiviteiten op touw die in hoofdzaak tot nieuwe verliezen leidden. De ontgoochelde en ontevreden aandeelhouders verkochten massaal hun aandelen, wat voor Auximines-Belgo-Katanga een nieuwe kans bood om haar droom te verwezenlijken.

Toen zij bij Cotoni in 1976 aan de macht kwamen, gingen de nieuwe (hoofd)aandeelhouders niettemin een alliantie aan met de vertegenwoordigers van de Generale om zo samen de grenzen vast te legen van de toekomstige gebieden waarover zij respectievelijk invloed zouden hebben. Toen dit proces achter de rug was, stond de Generale 20% van haar participatie in Cotoni af aan de nieuwe aandeelhouders. Het grote publiek kreeg de kans te kiezen tussen het behoud van hun aandelen en niet langer te worden onderworpen aan de toekomstige risico’s als zij akkoord gingen met een verkoopoptie tegen dezelfde prijs als de prijs die door de Generale werd verkregen. De aangeboden prijs kreeg de vorm van een openbaar bod tot aankoop van aandelen geïnitieerd door een filiaal van Cotoni, Immobilière Brederode genaamd, met betrekking tot de aandelen van de moederholding die nog door in het bezit van het grote publiek waren, betaalbaar tegen obligaties Brederode op 10 jaar en gegarandeerd door Cotoni.

Brederode werd een financiële vennootschap en de verstrengelde participatie ten belope van 17% ingevolge de OBA werd ontbonden nadat Cotoni alle aandelen Brederode in haar bezit onder haar aandeelhouders had verdeeld.

Deze ongebruikelijke transacties liggen aan de oorsprong van de piramidale structuur die lange tijd bestond binnen de groep Brederode.

Het duo Brederode-Cotoni functioneerde voortaan in perfecte symbiose. De juridische fusie van de twee vennootschap vond plaats in 1989 en leidde tot het verdwijnen van de naam Cotoni. Met het oog op vereenvoudiging gebruikten wij voortaan enkel nog de naam Brederode.

IV. Afrifina

Tussen het zestigtal strategische participaties – vaak minderheidsparticipaties – die van Cotoni op het einde van 1976 en na de opdeling van gebieden in der minne met de Generale zat een pakket aandelen voor ongeveer 20% van het aandelenkapitaal van een kleine, ex-koloniale vennootschap met de naam Afrifina. Deze vennootschap was genoteerd op de beurs van Brussel maar was maar weinig bekend bij het grote publiek.

Deze vennootschap werd opgericht in 1929 onder de naam Bamboli Cultuur Maatschappij en had als doel om in de oostelijke provincie van de kolonie heveaplantages – de hevea is een rubberboom – op te richten. De oprichters kwamen in hoofdzaak uit dynamische kringen van de middenklasse en enkele Antwerpse bankiers die dicht stonden bij de politieke beweging die vandaag de partij CD&V belichaamt.

Bamboli zag ook alles in Afrika verloren gaan na 1960. Verrassend genoeg slaagde zij in een industriële reconversie en richtte in Nijlen, in de Antwerpse Kempen, een filiaal met de naam Artilat op, gespecialiseerd in schuimrubberen artikelen. Bamboli, dat Afrifina was geworden, slaagde erin de industriële ervaring die zij in de laatste jaren in de kolonie had opgedaan in Nijlen in de praktijk te brengen.

Tijdens vele jaren bleef Brederode nauw verbonden met de Antwerpse families die de vennootschap hadden opgericht en beheerden alvorens de belangen die zij hadden van hen af te kopen. Artilat droeg lang bij tot de positieve resultaten van de groep Brederode, maar ook dit industriële filiaal ging achteruit, waardoor de groep het in 2005 aan een industriële overnemer verkocht nadat de groep zich veel inspanningen had getroost met het oog op economisch herstel.

Intussen was Afrifina in 2003 gefuseerd met Brederode .

V. Monceau-Zolder

Nu dienen wij langer in de tijd terug te gaan om de grootste acquisitie ooit van Brederode, die van  Charbonnages de Monceau-Fontaine in 1980 te illustreren.

Het gaat hier om de oudste wortels van de groep, daar deze teruggaan tot 1804.

Na het witte goud van het katoen kwam het zwarte goud van steenkool, de belangrijkste energiebron van de 19de eeuw.

De eerste Société de Monceau-Fontaine werd opgericht in 1804 tijdens het keizerrijk van Napoleon. Deze was in feite de handelsnaam van een contractuele associatie tussen edelen, met elkaar verwante kasteelheren en buren van Monceau-sur-Sambre en Fontaine l’Evêque, de erfgenamen die volgens het feodale recht concessies hadden over de ondergrond van hun domeinen en een invloedrijk advocaat-raadsman in Bergen, de hoofdplaats van het Franse departement dat bij Frankrijk behoorde. De Franse wet van 1791 – Mirabeau genaamd– betreffende de mijnen en waarvan de oorsprong ligt in de Franse Revolutie bepaalde dat de ondergrond niet langer aan de koning toebehoorde (of aan zijn vazallen) naar aan de Natie, dit wil zeggen het volk.

Met het oog op naleving hiermee en zich baserend op de kennis van hun advocaat en hun uitstekende relaties met de staatshoofden van Frankrijk, Nederland en België getroostten de edelen zich zware inspanningen voor het behoud van hun voormalige rechten en trachtten zelf de steenkool op industriële schaal te ontginnen.

Dit was een lang proces met veel vallen en opstaan en het trio en hun opvolgers dienden het hoofd te bieden aan meerdere rechtszaken en andere administratieve moeilijkheden van allerlei aard terwijl zij in de grond groeven.

Veertig jaar later in 1846 verkreeg de Société Anonyme des Charbonnages de Monceau-Fontaine uiteindelijk het zo begeerde Koninklijke Besluit waardoor haar rechten op de concessie ondubbelzinnig en definitief werden en de uit de exploitatie voortvloeiende verplichtingen werden vastgelegd.

Enkele jaren later in 1852 kwam de Generale, die veertig jaar voordien door de Staat werd geholpen, nu voor de zoveelste keer de in financiële moeilijkheden verkerende steenkoolsector te hulp en kreeg zo de touwtjes stevig in handen, zowel ten goede als ten kwade.

Tijdens meer dan een eeuw vormde deze vennootschap een van de pareltjes in haar portefeuille en geen enkele gelegenheid ging voorbij of naburige concurrenten werden opgekocht of fusies werden gesmeed om zo constant de omvang van de concessie uit te breiden en de mogelijkheden voor rationalisering van de exploitatie tot een maximum uit te breiden.

Vanaf het einde van de 19de eeuw was Monceau-Fontaine de eerste steenkoolproducent van het land.

In 1957, het jaar van zijn hoogtepunt, werd 1.752.000 ton steenkool geproduceerd en stelde het bedrijf meer dan tienduizend mensen tewerk.

Daarna kwam de neergang: mijnen raakten uitgeput, de internationale concurrentie was zwaar en er ontstond sociale onrust De politiek wereld raakte in paniek en besloot verlieslatende mijnen niet te sluiten en de verliezen zonder uitzicht op terugbetaling te dekken. In haar betrachting om stakingen gepaard met opstanden te vermijden gaf de overheid aan Monceau-Fontaine tussen 1966 en 1980 meer dan 9 miljard frank subsidies. Hierdoor kon de geleidelijke en stapsgewijze sluiting van exploitatiezetels mogelijk worden gemaakt, de vooropzeg van het personeel worden uitbetaald en de schulden van de vennootschap terugbetaald. De steenkoolmijnen werden definitief gesloten in 1980 en de Generale zag zich geconfronteerd met een lange liquidatieperiode.

Zo ontstond er voor Brederode een nieuwe opportuniteit.

In 1982 bood Brederode aan de Generale aan om van haar via de beurs haar participatie in de steenkoolmijnen van 33,8% die toen een meer dan gunstige financiële buffer had af te kopen. Om de acceptatie door de Generale te faciliteren, bood Brederode aan om aan haar een pakket aandelen dat ongeveer 14,3% van het kapitaal van de voormalige Nederlandse kolenmijn Laura&Vereeniging dat discreet op de beurs was ingezameld en dit als wisselgeld. Laura&Vereeniging was in feite een bloeiende onderneming die gestaag groeide dankzij een industriële reconversie en de Generale bezat enkel 29% van het aandelenkapitaal. De ruil werd snel gerealiseerd en elke partij initieerde een OBA met betrekking tot « haar » steenkoolmijn.

De sanering van Monceau-Fontaine die al enkele jaren door de Generale was ingezet werd trouw door Brederode verdergezet en is vandaag nog niet afgerond maar is toch zeer positief gebleken daar deze de groep aanzienlijke middelen heeft opgeleverd. Deze werden nog beter in 1988 toen Brederode de Generale ervan kon overtuigen om aan haar haar referentieaandelen in de oude en in liquidatie zijnde Limburgse steenkoolmijnen André-Dumont en Helchteren-Zolder-Houtalen te verkopen.

De drie eenheden werden vervolgens gefuseerd en werden Monceau-Zolder, de belangrijke investeringsmaatschappij van de groep.

Vanaf 1978 besliste Brederode om voordeel te halen uit de globalisering van de economie en het vrije verkeer van kapitaal en nam tevens het besluit om een filiaal in Luxemburg met de naam Geyser op te richten. Dit nieuwe instrument kende een organische groei en werd op zijn beurt het belangrijkste filiaal.

VI. La Liève

La Liève was een Gents filiaal waarvan de oorsprong teruggaat tot 1864. In 1989 werd deze nog altijd gecontroleerd door de nakomelingen van de families die de vennootschap tot een kleine holding hadden omgevormd, de industriële activiteiten waren geconcentreerd in een enkel filiaal: La Lys-Liève.

Brederode werd benaderd door een vertegenwoordiger van de families die verzocht de participatie van 14%, die zij bij een institutionele belegger hadden en over wie zij niet langer tevreden waren, over te kopen en hen te helpen het slechte tij te keren bij La Lys-Liève dat geconfronteerd werd met genadeloze concurrentie uit Aziatische landen.

De groep Brederode kocht dus die 14% van La Liève terwijl die laatste uit handen van Auximines een participatie met een equivalente waarde ontving onder de vorm van aandelen van Belgo-Katanga die 4,4% van het aandelenkapitaal vertegenwoordigden. De vertegenwoordigers van Brederode werden uitgenodigd om de twee Gentse raden van bestuur voor te zitten

Zes jaar later vond Brederode eindelijk een industriële koper voor La Lys-Liève en La Liève werd een zuivere holding die enkel nog in geldbeleggingen deed.

Haar kleine omvang deed niettemin de liquiditeit van haar beursaandelen fors dalen en ontzegde haar de toegang tot diverse financiële opportuniteiten. Auximines stelde de Gentse families voor om hun aandelen tegen aandelen Brederode uit haar portefeuille te ruilen en dit vermeerderd met compensatie in cash. Deze transactie werd uitgebreid naar het grote publiek via een OBA tegen dezelfde voorwaarden.

In 1999 was het patrimonium van La Liève volledig geïntegreerd in dat van Auximines.

Het jaar 2000 vormde nog een belangrijke stap in de vereenvoudiging van de groep daar Auximines Belgo-Katanga integreerde  en Brederode fusioneerde met Monceau-Zolder.

Tien jaar later, in 2010, integreerde Brederode Auximines, waardoor er nog maar één vennootschap op de beurs was genoteerd.

VII. Internationale expansie

Geyser was de katalysator voor de internationale expansie die vanaf 2004 in een stroomversnelling terechtkwam toen dit filiaal meer middelen kreeg waardoor het op zijn beurt de Luxemburgse vennootschap Brederode International kon oprichten, gespecialiseerd in Private Equity

Bij Brederode International voegde zich de Britse vennootschap Athanor Limited, die in Londen in 1994 werd opgericht met het oog op verzekeringsactiviteiten op de Lloyd’s markt, toen deze zich voor het eerst in zijn meer dan driehonderdjarige geschiedenis openstelde voor kapitaalverstrekkers met beperkte aansprakelijkheid.

De komst van Athanor –en de verworven naambekendheid van Brederode in de financiële wereld in Londen- bood deze de kans haar stempel te drukken op deze enorme markt, gekenmerkt door een grondige reorganisatie. Hiervoor deed de vennootschap een beroep op haar filiaal Biocare dat wat stuurloos was geworden na een mislukte poging tot diversificatie op de Belgische markt van preventie en gezondheidszorgen. Biocare, dat voortaan Brederode Insurance heette, concentreerde vanaf 1995 de participaties van de groep in de verzekeringssector waarbij zich geleidelijk aan een hele reeks nieuwe participaties voegden ingevolge de nieuwe initiatieven die in het kader van de herstructurering van Lloyd’s werden genomen. Deze participaties werden in de volgende tien jaar met succes verkocht. Enkel het filiaal Athanor werd behouden dat met enthousiasme zijn specifieke activiteiten voortzet.

Brederode Insurance werd door een andere vennootschap van de groep overgenomen, zodat momenteel Brederode nog maar een enkel filiaal met de naam Greenhil behoudt. De oprichting ervan gaat terug tot 1988 toen de voormalige Charbonnage de Monceau-Fontaine werd gesplitst en de industriële activiteit met inbegrip van de exploitatie van mijngas, de slakkenbergen en de industriële gebouwen van de mijnconcessie in handen kwamen van een nieuwe vennootschap met de naam Monceau Energie. Nadat de gasexploitatie in 1997 werd stopgezet, zag de nieuwe naam Greenhill het licht. Deze bleef bestaan in afwachting van een Koninklijk Besluit dat gevolg zou geven aan haar verzoek ingediend in 1993 met het oog op de stopzetting van de concessie.

Ter gelegenheid van een buitengewone algemene vergadering op 14 mei 2014 stemden de aandeelhouders van Brederode unaniem in met het fusieproject ingevolge de integratie van hun vennootschap in de Luxemburgse vennootschap Acturus, waardoor de laatste alle activa, passiva, rechten en verbintenissen van Brederode evenals haar naam overnam.

Vandaag de dag staat Brederode aan het hoofd van een middelgrote groep met een eenvoudige structuur en kan het met kennis van zaken en efficiënt investeren op vier contitenten vanuit twee belangrijkste operationele centra : Londen en Luxemburg.

De geschiedenis van Brederode stopt hier niet. Elke dag worden er nieuwe bladzijden geschreven.