brederode-logo3

Hdebrederode

Oorsprong van de naam Brederode

De vennootschap ontleent haar naam aan de gelijknamige straat waar Cotonco had beslist om een gebouw op te trekken om zijn personeel in Europa te huisvesten en haar maatschappelijke zetel te vestigen. Dit project werd toevertrouwd aan een ad-hoc filiaal dat bij haar oprichting in 1957 de naam Immobilière Brederode kreeg. Deze naam werd later veranderd in Financière Brederode, en later zijn huidige, nog eenvoudigere, naam.

Zoals de Brusselaars weten, is de Brederodestraat een smalle en korte straat die langs de achterzijde van het Koninklijk Paleis loopt en het Troonplein met de Naamsestraat verbindt. In die Koninklijke wijk waren indertijd de belangrijkste koloniale ondernemingen van Congo Vrijstaat gevestigd, op een zucht van het kantoor van hun belangrijkste inspirator, koning Leopold II.

De buurt was ook al langer zeer aristocratisch daar er in de 19de eeuw adellijke families woonden: Brederode, Culembourg, Egmont, Mansfeld, Marnix, Nassau enz.

De Brederodestraat weerspiegelt dat gouden tijdperk (en de onverdraagzaamheid die ermee gepaard ging) en in het bijzonder een van zijn illustere helden : graaf Hendrik van Brederode, « de Grote Geus ».

De Belgische schrijver Théodore Juste (1818-1888) heeft de volgende biografische gegevens verstrekt:

« BREDERODE (Hendrik VAN), geboren in Brussel in 1531, zoon van Reinoud II, graaf van Brederode en Philippine van der Marck, de zuster van de beroemde Everhard, prins-bisschop van Luik.

De Brederodes stamden af van de voormalige graven van Holland en spreidden deze oorsprong openlijk tentoon. Zo had, Reinoud II, zeer tegen de zin van Karel V, alle wapenschilden van het graafschap Holland evenals de zijne in de straten van Gent gehangen. Hij was lid van de Raad van State en ridder in de Orde van het Gulden Vlies.

Hendrik, zijn oudste zoon, was eerst een page van Karel V en koos daarna, net als zijn twee broers, voor een militaire carrière. In 1552 diende hij in het leger aangevoerd door Willem Van Oranje. Hij nam vervolgens deel aan de grote oorlog die de komst aankondigde van Filips II. Een van zijn broers werd gedood in 1557 tijdens de beroemde slag van de Saint-Quentin; de andere sneuvelde enkele jaren later toen hij tegen de Turken streed.

Filips II beloonde de moed en de diensten van Hendrik van Brederode en benoemde hem in 1559 tot kapitein van een van de veertien cavalerie-eenheden of ‘benden van ordonnantie’ van de Nederlanden. Hij was een moedig edelman, maar van losse zeden, gehard en cynisch, zelfs in zijn uitspraken, een amusante tafelgast en leuk gezelschap.

Hij had van zijn vader twee mooie landerijen geërfd, hij was graaf van Brederode en van Vianen, heer van Almeyden, burggraaf van Utrecht, enz.

Hij huwde met Amalia, de gravin van Nieuwenaar, « een zedige dame », aldus de baron van Montigny.

Brederode werd de rechterhand van Willem de Zwijger die hij als zijn meerdere erkende en van Lodewijk van Nassau die hij als een broer beschouwde.

Hij was groot van gestalte, mannelijk en energiek, gemaakt voor de strijd, hij streed fel aan de zijde van diegenen die zich afzetten de religieuze en politieke tirannie van Filips II.

In 1565, wanneer de graaf van Egmont naar Spanje trok om verslag uit de brengen bij de koning over de situatie in de Nederlanden, begeleidde Brederode hem tot in Cambrai waar hij zich deed opmerken door de felheid van zijn haat tegen kardinaal Granvelle. Hij tekende met zijn eigen bloed de oorkonde die stelde dat hij zich zou wreken als er onrecht zou worden gedaan aan de graaf van Egmont.

Toch nam Brederode niet deel aan de initiatieven van de bekende liga of confederatie van edelen en hij was ook niet een van de eerste ondertekenaars van het Compromis.

Op 21 januari 1556 schreef Margaretha van Parma aan de koning dat Brederode nog altijd een goede katholiek was. Enkele dagen later verweet zij de edelman om de druk van ketterse boeken te gedogen in zijn stad . Als snel ontving zij excuses en een rechtvaardiging.

Brederode schreef haar dat het waar was dat er een drukker was in zijn stad Vianen maar hij had deze de opdracht had gegeven niets te publiceren, zelfs geen lied, zonder de voorafgaande lezing en goedkeuring van de pastoor van de stad en twee andere personen die hiervoor door de kerk waren aangesteld.

Zo had hij – schreef hij nog – kort voordien die drukker een maand opgesloten omdat hij vermoedde dat die zich niet aan de richtlijnen hield maar hij had hem moeten vrijlaten omdat hij de drukker volgens het onderzoek onschuldig was.

Tegelijk betoonde hij trouw aan de landvoogdes van de Nederlanden en het katholieke geloof. Niettemin kwam hij aan het hoofd te staan van de geconfedereerden. Hij gaf toe aan de voorstellen van Lodewijk van Nassau en in samenspraak met zijn vrienden nam hij zich voor om plechtig een smeekbede te overhandigen aan Margaretha van Parma met het oog op de afschaffing van de inquisitie en de edicten (plakkaten) die afschuwelijke  folteringen in petto hielden voor de ketters.

Tijdens de avond van 3 april 1566 bereikten Brederode en Lodewijk van Nassau Brussel met twee honderd geconfedereerde edelen, allen te paard en in oorlogsuitrusting. Toen hij voet zette in het paleis van Nassau, zei hij tegen de graven van Hoorne en van Mansfeld : « Sommigen hadden gedacht dat ik niet in de buurt van Brussel durfde te komen, toch ben ik er en ik verlaat de stad misschien op een andere manier. »

Op vijf april begaf Brederode zich samen met vierhonderd geconfedereerde edelen naar het paleis van de landvoogdes en gaf aan de zuster van Filips II het beroemde verzoekschrift. De ondertekenaars van het verzoekschrift wilden op de stopzetting van de inquisitie en een matiging van de plakkaten.

Het antwoord van de landvoogdes, dat de volgende ochtend kwam, kon hen nauwelijks bekoren. Brederode nodigde zijn vrienden uit op een banket in het paleis van de graaf van Culemborg en zorgde daar voor een opmerkelijke daad wat betreft de beledigende benaming aan hun adres door een der hovelingen. Hij verklaarde dat hij maar al te graag de naam van geus wilde aanvaarden, ondanks de schaamte die daarmee gepaard ging en dat het hem niets kon schelen dat hij een geus werd en voor vorst en vaderland moest bedelen.

Alle tafelgenoten jubelden en Brederode hing een reiszak om, schonk een houten beker vol met wijn en dronk op de gezondheid van de geuzen.

Op 8 april keerde Brederode met enkele delegatieleden terug naar het paleis om te protesteren tegen het antwoord op hun smeekschrift. Vanuit Brussel ging hij naar Antwerpen en was overtuigd van het succes van het Verbond der Edelen. In Antwerpen verzamelden er zich meer dan vierduizend mensen voor de Rode Leeuw waar hij verbleef. Hij verscheen met een glas in zijn hand aan het venster en sprak de menigte toe die hem toejuichte. De menigte escorteerde hem vervolgens tot aan de poorten van de stad.

In de maand juli 1566 was er in alle provincies oproer door de preken van lutheranen en calvinisten die hun geloof dankzij het dynamisme van de geconfedereerde edelen vrij mochten beleven. Vooral Antwerpen kende een grote opstand en om de macht van de dissidenten te breken besloot Margaretha van Parma er een garnizoen te vestigen.

Om dit plan te verijdelen kwam Brederode op 5 juli in Antwerpen aan met een groot aantal edellieden. Op de 13de benaderde hij Willen van Oranje die door de burgerij was opgeroepen om de orde te herstellen en naar Antwerpen was getrokken met de toestemming van de landvoogdes. De volgende dag trok Brederode naar Sint-Truiden waar de geconfedereerde edelen opnieuw samenkwamen. Er werden tijdens deze vergadering ingrijpendere besluiten genomen. De geconfedereerde edelen stelden zich niet langer tevreden met enkel een wettelijke bescherming voor lutheranen en calvinisten. Met het oog op het behoud van de gewetensvrijheid besloten zij om geweld eventueel met geweld te beantwoorden.

Margaretha van Parma, in de hoop de gemoederen te kunnen bedaren, stuurde Willem van Orange en de graaf van Egmont naar Duffel om een onderhoud te hebben met de mandatarissen van de geconfedereerde edelen. Brederode nam deel aan die vergadering die op niets uitdraaide. De geconfedereerde edelen hadden verklaard dat zij in Brussel zelf wensten te onderhandelen; hun afgevaardigden gingen erheen, maar niet Brederode die misschien voor zijn eigen veiligheid vreesde.

De bevolking, die door de preken was opgezweept, liet een beeldenstorm woeden in de kerken van Vlaanderen. Ontzet door dit nieuws gaf de landvoogdes, haast een gevangene in Brussel, garanties aan de geconfedereerde edelen. Zij garandeerde hen zo veel mogelijk te beschermen tegen de furie van Filips II en zij beloofden op hun beurt zich te verzetten tegen de uitspattingen van de beeldenstormers. Brederode had niet op dit engagement gewacht. Hij had de wapens opgenomen en had de beroemde abdij van Egmont in de buurt van Haarlem gered van de plunderaars. Echter, op 27 september, liet hij – op de tonen van dwarsfluiten en tamboeren, zo kreeg de landvoogdes te lezen – de beelden uit de kerken van Vianen verwijderen.

Daar hij geen vertrouwen had in het akkoord van 23 augustus, aan de oprechtheid van Margaretha van Parma twijfelde en al een reactie voorzag, begon hij soldaten onder de wapens te roepen. De landvoogdes had zich beklaagd over deze dreiging en Willem van Oranje deed veel moeite om Brederode van alle blaam te zuiveren. « Deze heer, die vijfhonderd mannen onder de wapens roept, heeft geen enkele andere bedoeling dan de veiligheid van de stad en zijn eigen persoon te waarborgen. »

Het sektarische geweld leidde tot de reactie die Brederode had voorzien en waarvoor hij had gevreesd. De geconfedereerde edelen begonnen te twisten en Margaretha van Parma kon hiervan profiteren. Hoewel zij zich voordien zwak had opgesteld, toonde zij zich nu autoritair. Zij riep haar troepen onder de wapenen en eiste de stopzetting van de preken en verbood de beoefening van de nieuwe godsdienst. Zij ging nog verder. Zij gelastte de hoofden van de Benden van ordonnantie, andere edellieden en vazallen te zweren dat zij de koning zouden blijven dienen en alle hiermee in tegenstelling zijnde liga’s zouden afzweren.

Brederode weigerde een dergelijke eed te zweren en bereidde zich – te laat – voor op een openlijke strijd. Hij sloot met afgevaardigden protestantse ‘gemeenten’ die in Antwerpen samenkwamen, een akkoord waardoor zij hun godsdienst vrij konden blijven beleven en zij verplichtten zich aan hem giften te doen die onder hun kerken zouden worden verdeeld. Brederode mobiliseerde met de steun van de protestantse gemeenschappen mensen voor de strijd, zowel te paard als te voet.

De bloedige nederlaag van Jan van Marnix in Oosterweel ontmoedigde de voormalige leider van de geconfedereerde edelen niet. Hij trok zich terug in Amsterdam en spande zich in om de bevolking voor hem te winnen: zo ging hij zelf naar openbare parken waar de burgerij elkaar trof om met pijl en boog en de haakbus te schieten. Hij trachtte zo medestanders te vinden. Zijn doel bestond erin controle over de stad te krijgen.

Daar slaagde hij niet in en hij kwam tevens te weten dat Willem de Zwijger naar Duitsland was gevlucht. Hij zocht zijn heil dan ook maar in asiel. Op 27 april 1567, om elf uur ‘s avonds, maakte hij zich op weg samen met zijn echtgenote en een aantal edellieden naar Emden. Daar liet hij van zich horen wanneer de hertog van Alva de plaats heeft ingenomen van Margaretha van Parma.

Hij protesteerde tegen de tirannie van de nieuwe luitenant van Filips II en bestempelde hem als een « afvallige moor». Verder trachtte hij de Nederlanden in opstand te laten komen en een nieuw Verbond van Edelen op te richten.

Zo ontstond het tweede verzoekschrift dat hij tekende met zeven andere gevluchte edellieden. Dit was de laatste en vergeefse poging van een ruimhartig man met een bekrompen geest, het vormde de laatste hoop van Brederode die als devies ‘misschien’ had.

Hij stierf op 15 februari 1568 in het kasteel van Varenburch, waar de graaf van Schauenburg hem asiel had verleend.

De graaf van Hoogstraten schreef aan Lodewijk van Nassau op de 26ste dat Brederode mooi aan zijn einde was gekomen en niet zoals kwaadsprekers beweerden.

De voormalige leider van de geconfedereerde edelen bleef meer dan drie maanden in Gehmen (in het land van Kleve) toen de hertog van Alva, daar hij hem niet levend te pakken had gekregen, hem zelfs tot in het graf wilde achtervolgen. Door het besluit d.d. 28 mei 15 verbande de Raad van Beroerten hem voor de eeuwigheid en nam zijn goederen in beslag. Een waardige wraak voor de hertog van Alva. » Th. Juste.